E-Captain
Euromat
LinkedIn
Facebook
Twitter

Opstelplaatsenbeleid en de wet

OPSTELPLAATSENBELEID VOLGENS DE WET

Het beleid op basis waarvan in gemeenten wordt bepaald waar kansspelautomaten worden toegestaan, wordt het opstelplaatsenbeleid genoemd.

Dit beleid is wettelijk verankerd in Titel Va van de Wet op de Kansspelen (WoK) en met name in de artikelen 30 en 30b t/m 30g. Deze notitie beperkt zich tot het opstelplaatsenbeleid in de horeca daar voor het opstellen van kansspelautomaten in amusementscentra andere (lokaal vastgestelde) criteria gelden.

Hoogdrempelige inrichting

De term waar het om draait, is de hoogdrempelige inrichting. Deze wordt gedefinieerd in artikel 30 onder d. Als een inrichting hoogdrempelig wordt bevonden, dan mogen er na verlening van de aan- wezigheidsvergunning twee kansspelautomaten worden opgesteld.

Drie criteria zijn van belang:

  1. rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (D-en H-wet)
  2. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en
  3. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder

De wetgever geeft in de Memorie van Toelichting op de WoK een nadere uitleg van deze begrippen. Deze toelichting is onlosmakelijk onderdeel van de wet en is daarmee de eerste maatstaf voor de invulling van het locale opstelplaatsenbeleid.

Rechtmatige uitoefening van het horecabedrijf

Het eerste criterium vertaalt zich in de praktische vraag of er een Drank- en Horeca vergunning voor de horeca-inrichting is afgegeven. Deze vergunning biedt tevens antwoord op de vraag uit hoeveel lokaliteiten de horeca-inrichting bestaat en wat hiervan de oppervlakte is. Het belang hiervan komt hieronder verder aan de orde.

Het café- en het restaurantbezoek staat op zichzelf

Het tweede criterium kent een uitgebreidere toelichting. Onder cafébezoek wordt verstaan: ”een café is een inrichting die door het publiek in eerste instantie wordt bezocht voor het nuttigen van alcoholische dranken.” Let hier op de woorden “in eerste instantie”. Dit duidt erop dat de wetgever ervan uitgaat dat er in een café ook andere reguliere activiteiten plaatsvinden. Vergelijk ook de tekst van het begrip horecabedrijf in art. 1 van de D-en H-wet: “De activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.”

Van restaurantbezoek is sprake indien “de inrichting op verstrekking van maaltijden van deze samenstelling (redactie: driecomponenten) is gericht en niet op merendeels afzonderlijke gerechten.” Deze bewoordingen staan het met andere woorden toe dat in een restaurant in mindere mate ook losse gerechten, zoals broodjes en soepen, worden geserveerd.

Deze omschrijving, die ongewijzigd over is gebleven uit een Horecabesluit van wel vijftig jaar geleden, heeft veel kritiek ondervonden omdat deze botst met de huidige ontwikkelingen in de horeca. In het Ox-rapport van mei 2003 wordt dan ook voorgesteld om het bovengenoemde begrip horecabedrijf als basis te nemen en het maaltijdenbegrip geheel te laten vervallen.  Daarmee kan recht worden gedaan aan de uiteenlopende soorten van cafés en restaurants die tegenwoordig bestaan. De minister van Justitie onderschrijft dit in zijn beleidsbrief speelautomaten van mei 2005 en heeft in zijn wetsontwerp van augustus 2007 het begrip horecabedrijf ook als uitgangspunt genomen.  Veel gemeenten zijn er inmiddels dan ook toe overgegaan om het maaltijdenbegrip uit te leggen als het serveren van een driegangenmaaltijd.

Ook is het mogelijk dat een horeca-inrichting voor de WoK een café-restaurant is. Dit blijkt uit de wijziging van de Drank- en Horecawet per 1 november 2000 waarin het woordje “of” onder 1e onder d van artikel 30 is vervangen door het woordje “en”.

Andere activiteiten met een zelfstandige betekenis

In de Memorie van Toelichting worden de volgende criteria gesteld aan de andere activiteiten: Deze trekken een zelfstandige stroom bezoekers en dienen niet uitsluitend ter ondersteuning van het café- en restaurantbezoek.

Als voorbeeld noemt de wetgever het bowlingcentrum waarin het café(-restaurant)bezoek niet op zichzelf staat. Dat het bowlingcentrum waarschijnlijk meer bezoekers trekt dan het restaurant of in ieder geval evenveel, leidt tot de conclusie dat de andere activiteit in de ogen van de wetgever zeker een bepaalde omvang kan hebben zolang die de basisactiviteit maar niet evenaart of daarboven uit stijgt. Dat is ook in lijn met de Drank- en Horecawet zoals hierboven al aangegeven. Vrijwel de meeste andere activiteiten blijven in cafés en restaurants van een dergelijke beperkte omvang.

Minimale leeftijd van 18 jaar

Hoewel de wetgever duidelijk stelt dat de activiteiten van een horeca-inrichting in belangrijke mate gericht dienen te zijn op personen van 18 jaar en ouder en er dus altijd nog een geringe ruimte is om activiteiten te richten op personen jonger dan 18 jaar, wordt in de praktijk met rechterlijke goedkeuring toch vooral gekeken naar de leeftijd van de feitelijke bezoekers.

Dat feitelijke in de activiteiten en bedrijfsvoering  overigens geldt voor de gehele beoordeling van de hoogdrempeligheid van een inrichting. De wetgever eist dat in de Memorie van Toelichting op het Speelautomatenbesluit 2000.

Dit leeftijdscriterium is voor het opstelplaatsenbeleid veruit het belangrijkste criterium. Immers het doel van het opstelplaatsenbeleid volgens de wetgever is te voorkomen dat jongeren onder de 18 jaar eenvoudig en terloops in aanraking komen met kansspelautomaten.

Samengestelde inrichting

De wetgever heeft de wettelijke mogelijkheid geïntroduceerd dat onder bepaalde voorwaarden in een horeca-inrichting met verschillende lokaliteiten, één lokaliteit als hoogdrempelig kan worden aangemerkt terwijl andere lokaliteiten laagdrempelig zijn. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een cafetaria annex restaurant.

Artikel 30c lid 4 WoK regelt dit onder de volgende voorwaarden:

a. voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 30, onder d, en

b. de overige ruimten in die inrichting door het publiek uitsluitend te bereiken zijn zonder eerst deze lokaliteit te betreden.

De samengestelde of gemengde inrichting is dus een inrichting die deels laagdrempelig is en  waarin een horecalokaliteit voldoet aan de vereisten van hoogdrempeligheid en aan de ‘verkeersregel’. Deze regel houdt in dat bezoekers van buitenaf de laagdrempelige ruimte(n) uitsluitend kunnen bereiken zonder eerst de (beoogd) hoogdrempelige lokaliteit te betreden.

Hierachter ligt het zojuist genoemde doel van het opstelplaatsenbeleid. In horecagelegenheden waar alle bezoekers 18 jaar of ouder zijn, is deze verkeersregel dan ook overbodig. Bovendien is het in de praktijk al vaak zo geregeld (met bordjes en aanwijzingen van de ondernemer ) dat bezoekers van buitenaf rechtstreeks naar het laagdrempelige deel lopen. Veel gemeenten houden dan ook rekening met deze feitelijke praktijk en beoordelen die als gelijk aan het punt onder b. De gemeente Enschede is daar een goed voorbeeld van. Ook het al eerder genoemde Ox-rapport onderschrijft dit.

Afscheiding

Met de bovengenoemde van toepassing verklaring van de begrippen uit de D- en H- wet op de WoK is ook art. 1 lid 2 van het Besluit Eisen inrichtingen Drank- en Horecawet gaan gelden voor de beoordeling in hoeverre lokaliteiten in open verbinding met elkaar mogen staan.

Dit betekent dat twee ruimtes als twee lokaliteiten worden gezien indien de wandopening lager is dan 2,20m., deze opening minder breed is dan 1/3 van de scheidingswand en geringer is dan 2,40 m. of in het geval dat er tussen de twee ruimtes een afscheiding staat die hoger is dan 1,25m.

De gemeente Amsterdam heeft dit ook duidelijk verwoord in de uitwerking van de beleidsregels. Uiteraard dient altijd het doel van het opstelplaatsenbeleid in het achterhoofd te worden gehouden. Als jongeren vanuit een laagdrempelige lokaliteit de kansspelautomaten in een hoogdrempelig deel kunnen waarnemen, dienen afdoende maatregelen te worden getroffen om dit te voorkomen.  Dit kan bijvoorbeeld door een scheidingswandje, gordijn of plant aan te brengen.

Oppervlakte horecalokaliteit

Het bovengenoemde besluit bevat een harde eis over de oppervlakte van de lokaliteiten: Een horeca-inrichting heeft ten minste één horecalokaliteit met een vloeroppervlakte van ten minste 35 m2. Dit betekent dat een mogelijk volgende horecalokaliteit een geringere oppervlakte mag hebben. In dit laatste geval kan dus ook een horecalokaliteit, kleiner dan 35 m2, als hoogdrempelig worden aangemerkt. Het is dan mogelijk dat de ondernemer met inachtneming van de voorwaarden uit de Tabakswet deze lokaliteit als rookruimte aanwijst.