E-Captain
Euromat
LinkedIn
Facebook
Twitter

Veel gestelde vragen en antwoorden

Q&A’s Amusementscentra

1. Wat is het eerste dat ik als ondernemer moet doen als ik in een gemeente een amusementscentrum wil starten?
Allereerst moet u achterhalen of amusementscentra zijn toegestaan binnen de gemeentegrenzen. Dit staat in de gemeentelijke verordening die over speelautomaten en/of amusementscentra gaat. Is het maximum aantal toegestane amusementscentra nog niet bereikt, dan kunt u een aanvraag indienen bij de burgemeester met eventueel een afschrift aan de gemeenteraad. Als de verordening niet bestaat, betekent dit dat de gemeente geen amusementscentra binnen haar grenzen wenst. In dat geval, en in het geval dat het maximum aantal amusementscentra is bereikt, zult u de gemeenteraad en het college van B en W in een politieke lobby ervan moeten overtuigen dat er een verordening komt, of dat de bestaande verordening wordt aangepast om het amusementscentrum toch te kunnen realiseren. Voor dit lobbytraject kunt u particuliere organisaties inschakelen.
2. Is een bezoeker van een amusementscentrum verplicht het toegangsbewijs continu bij zich te dragen? Of mag de bezoeker er na ontvangst bij binnenkomst mee doen wat hij wil?
Zowel par. 2.1 van de VAN erkennings-voorwaarden als art. 15 van het Speelautomatenbesluit spreken alleen over het verstrekken van een toegangsbewijs. De verstrekker moet kunnen aantonen dat het toegangsbewijs daadwerkelijk verstrekt is. Aan de bezoeker is de keuze om het bewijs bij zich te houden of na binnenkomst weg te gooien.
3. Wie moet in het bezit zijn van het wettelijk bewijsstuk?

Bedrijfsleiders/beheerders en verder alle personen die werkzaam zijn in amusementscentra moeten in het bezit zijn van een wettelijk bewijsstuk (art 4 lid 1 juncto art. 6, lid 1, Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen). Dit betreft de cursus die uit de volgende onderdelen bestaat:

a. Algemene kenmerken van kansspelproblematiek
b. Vroege signalering
c. Verslaving en verslaafd gedrag.

Voor de bedrijfsleiders en –beheerders is het bovendien verplicht een cursus met goed gevolg te doorlopen die bestaat uit de volgende onderdelen:

a. Inleiding in communicatie en gespreksvaardigheden
b. Basisvaardigheden gespreksvoering
c. Problematisch spelen en verslaafd gedrag
d. Oefenen van een bezoekersgesprek
e. Preventiegesprekken
f. Vaardigheden op het gebied van motiveren en overtuigen
g. Toeleiding naar de hulpverlening.

Ook deze cursus is daarmee onderdeel van het wettelijk bewijsstuk (art 4 lid 2 juncto art. 6, lid 1, Regeling werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen).
4. Welke cursus moeten medewerkers en bedrijfsleiders/beheerders volgen om in aanmerking te komen voor het wettelijk bewijsstuk, en wat kost deze cursus?

Met het certificaat dat wordt verkregen door het met goed resultaat volgen van de cursussen zoals genoemd in vraag 3, komen de medewerkers en de bedrijfsleiders/beheerders in aanmerking voor het wettelijk bewijsstuk. GGZ Nederland (de overkoepelende organisatie van alle verslavingszorginstellingen) zorgt na ontvangst van een certificaat en € 50,- voor de uitgifte van het wettelijke bewijsstuk. Deze bewijsstukken zijn een verplichting vanuit het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen.

De Arbo-wet verplicht alle halmedewerkers een cursus bedrijfshulpverlening te volgen. Een onderdeel van bedrijfshulpverlening vormt een EHBO-cursus. Om een goede veiligheid te waarborgen in amusementscentra is het volgen van genoemde cursussen noodzakelijk. Een ondernemer mag zelf bepalen waar zijn medewerkers deze veiligheidscursussen volgen.

Het SAC-bestuur adviseert haar leden om halmedewerkers ook een overvaltraining te laten volgen. Een dergelijke training bereidt halmedewerkers voor hoe te handelen ten tijde van een overval. Een overvaltraining heeft geen wettelijk verplichte status, maar is ten behoeve van de veiligheid van medewerkers en bezoekers zeker aan te raden.

 Q&A’s Exploitatie in de Horeca

1. Welke vergunning heb ik nodig om speelautomaten in een horeca-inrichting te plaatsen? Wie geeft deze vergunning af en op welke wijze gebeurt dit?
Op grond van de WoK (Wet op de Kansspelen) is een aanwezigheidsvergunning vereist om in een horeca-inrichting speelautomaten te plaatsen. De aanvrager is de horeca-ondernemer in wiens inrichting de speelautomaten komen te staan. De burgemeester van de gemeente waar de automaten geplaatst worden, geeft deze vergunning af. Soms heeft hij deze bevoegdheid aan een ambtenaar gegeven. Een besluit tot verstrekken of weigeren van de aanwezigheidsvergunning gebeurt altijd schriftelijk.
2. Als ik met een horeca-ondernemer verbouwplannen heb om een samengestelde inrichting te maken, hoe kan ik dan het best met de gemeente omgaan?
In het geval van verbouwplannen voor een samengestelde inrichting is het verstandig altijd zo vroeg mogelijk contact te zoeken met de behandelend ambtenaar. Maak een afspraak om samen het verbouwplan door te nemen.
3. Is de duur van een exploitatieovereenkomst beperkt?
Nee, het overeenkomstenrecht laat partijen vrij in het gezamenlijk vaststellen van een bepaalde duur van een overeenkomst. Voor de exploitatieovereenkomst bestaat hierop geen uitzondering. Een periode van tien jaar is dus net zo rechtsgeldig als een periode van twee jaar.
4. Waar kan ik als exploitant mijn exploitatieovereenkomsten laten registreren en wat is het doel hiervan?
Veel exploitanten laten hun exploitatieovereenkomsten registreren bij een notaris. Zij doen dit om te voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over het moment waarop de overeenkomst met een horeca-ondernemer is gesloten.
5. Wat moet ik doen als een nieuwe horeca-ondernemer voor een van mijn contracten zich niet aan de exploitatie-overeenkomst houdt?

In geval van een nieuwe horeca-ondernemer die zegt van niets te weten en bij kennisname van het lopende contract zich daar niets van aantrekt, is het van niets weten te wijten aan de oude horeca-ondernemer. Deze is zijn contractuele verplichting de overeenkomst door te leggen niet nagekomen.

In het algemeen dient eenieder de contracten van een ander te respecteren. Als een exploitant of nieuwe horeca-ondernemer dat toch niet doet, is een beroep op het kettingbeding mogelijk. Het kettingbeding is door de rechter in orde bevonden. Wel stelt hij een aantal voorwaarden, wil de exploitant met succes een beroep doen op het beding. Zo moet de nieuwe horeca-ondernemer van tevoren weten dat die verplichting er is of had hij dat behoren te weten omdat hij bijvoorbeeld jarenlang horecaervaring heeft.

Het is dus aan te raden de nieuwe horeca-ondernemer, zeker als hij nieuw is in de horeca, zoveel mogelijk voor de verkoop in te lichten over de verplichtingen die voor hem voortvloeien uit de bestaande exploitatieovereenkomst. In eerste instantie is dit de contractuele verplichting van de oude horeca-ondernemer. Als deze die verplichting niet nakomt, kan hij worden aangesproken op wanprestatie, dat wil zeggen: het niet nakomen van zijn contractuele verplichtingen.

 

6. Kansspelbelasting is een belasting over de omzet. Hoe kan ik deze verwerken in de exploitatieovereenkomst?

De exploitant is op basis van de WoK de belastingplichtige. De wetgever heeft echter erkend dat het niet de bedoeling is geweest dat hij 58% kansspelbelasting betaalt over zijn eigen omzetdeel (in het geval van 50%-50% verdeling met de horeca-ondernemer). De wetgever meent dat de introductie van de kansspelbelasting een onvoorziene omstandigheid is, die ervoor zorgt dat oude afspraken (voor 1 januari 2008 gemaakt) contractueel herzien moeten worden door de verdeelsleutel te wijzigen. In het geval van 29% kansspelbelasting en een oude afspraak van 50%-50%, leidt dit tot een nieuwe verdeelsleutel van 35,5% voor de horeca-ondernemer en 64,5% voor de exploitant. In dat geval vervalt het tweede deel van artikel 3.1.

Een praktischer aanpak is om overeen te komen dat van de netto-opbrengst (de opbrengst in de geldbak) eerst de kansspelbelasting wordt afgetrokken, en vervolgens de oude verdeelsleutel wordt toegepast. Daarvoor is het hele artikel 3.1. van toepassing. Dit geldt uiteraard als partijen overeenkomen dat beide partijen ieder de helft van de kansspelbelasting betalen. Dit is te gieten in de vorm van een aanvulling op de bestaande overeenkomst ,of nog beter: het aanpassen van de bestaande exploitatie-overeenkomst.
7. Op wie rust de verplichting de speelautomaten te verzekeren (als dit niet duidelijk is in de exploitatieovereenkomst)?
Het verzekerbaar belang ligt volgens de opvatting van veel deskundigen bij de exploitant omdat deze het eigendom heeft. De exploitant verzekert de speelautomaten dan ook. Mogelijk laat u de horeca-ondernemer de kosten daarvan dragen.
8. Kan een exploitatieovereenkomst ook mondeling worden overeengekomen?
In Nederland kan een exploitatieovereenkomst ook mondeling worden afgesloten. Het verdient echter aanbeveling dit toch schriftelijk te doen, om mogelijke discussies op voorhand uit te sluiten.
9. Een gemeente brengt de horeca-ondernemer mij onbekende legesbedragen voor de aanwezigheidsvergunning in rekening. Wat zijn de juiste bedragen?
De legeskosten voor een aanwezigheidsvergunning voor 1 speelautomaat bedragen maximaal € 56,50. Indien het meer dan 1 speelautomaat betreft, zijn de legeskosten maximaal € 22,50 plus het aantal speelautomaten maal maximaal € 34,-.
10. Maakt een terras een horeca-inrichting laagdrempelig?
Het komt soms voor dat een gemeente een horeca-inrichting laagdrempelig wil verklaren, alleen al vanwege het feit dat het terras een zelfstandige stroom van bezoekers zou trekken. Dit argument gaat uiteraard niet op omdat het terras een vast onderdeel is van een horeca-inrichting. Dit is bovendien vastgelegd in de Drank- en Horecawet die per 1 november 2000 is gewijzigd. Artikel 1 van die wet verstaat onder inrichting: “De lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte.” Kortom, ook de wet zegt dat terrassen tot een horeca-inrichting behoren.
11. Wat is bodembeslag en wanneer mag de fiscus dat leggen?

Bodembeslag houdt in dat de belastingdienst op alle roerende zaken beslag legt die zich bevinden op of in het perceel dat de belastingschuldige in gebruik heeft en waarover hij onafhankelijk van anderen de beschikking heeft. Alleen in het geval van het schuldig zijn van omzetbelasting, loonbelasting e.d. kan dit beslag worden gelegd.

Als de fiscus ook bodembeslag bij een horeca-ondernemer legt, legt hij in sommige belastingdistricten ook beslag op de speelautomaten van de exploitant. Normaal gesproken wordt het echte eigendom van derden, de exploitant, ontzien. Uit de jurisprudentie blijkt dat de fiscus alleen beslag mag leggen op de speelautomaten als er sprake is van bedrijfsinmenging. Om te bepalen of hiervan sprake is, kijken de rechter en de fiscus naar de verhouding omzet uit speelautomaten ten opzichte van de overige omzet uit de onderneming van de horeca-ondernemer. Als naar verhouding een hoge omzet wordt behaald met de speelautomaten, oordeelt de rechter (en daarmee ook de fiscus) stellig dat dit bedrijfsinmenging is en de fiscus het recht heeft op bodembeslag. Als exploitant moet u dus behoedzaam omgaan met horeca-ondernemeren die belastingschulden hebben en die in belangrijke mate afhankelijk zijn van met uw speelautomaten behaalde omzet.